Arterielijn op de intensive care: wat is het en waarvoor wordt deze gebruikt?
Een arterielijn is een dunne katheter die in een slagader wordt ingebracht. De arterielijn wordt op de intensive care voornamelijk gebruikt voor continue en directe bloeddrukmeting en voor het regelmatig afnemen van arterieel bloed. Hierdoor kan de bloeddruk van een ernstig zieke patiënt van hartslag tot hartslag worden gevolgd en kunnen bloedgassen worden afgenomen zonder de slagader steeds opnieuw te hoeven aanprikken.
Andere benamingen voor een arterielijn zijn:
- arteriële lijn;
- arteriële katheter;
- arteriecanule;
- intra-arteriële katheter;
- invasive arterial catheter;
- A-line.
De arterielijn is vooral waardevol bij patiënten met een instabiele circulatie, bij gebruik van vasopressoren en wanneer regelmatig arteriële bloedgasanalyses nodig zijn. Het is echter een invasief hulpmiddel. De voordelen moeten daarom steeds worden afgewogen tegen mogelijke complicaties, zoals bloedingen, infecties, trombose en verminderde doorbloeding van het lichaamsdeel waarin de katheter is geplaatst. s een arterielijn?
Een arterielijn bestaat uit een korte, flexibele kunststof katheter die rechtstreeks in een slagader wordt geplaatst. De katheter wordt via een met vloeistof gevuld drukmeetsysteem verbonden met een elektronische druktransducer en een patiëntenmonitor.
De drukgolf die bij iedere hartslag door het arteriële vaatstelsel loopt, wordt via de vloeistofkolom naar de transducer overgebracht. De transducer zet deze mechanische drukverandering om in een elektrisch signaal. Op de monitor verschijnen vervolgens:
- de systolische bloeddruk;
- de diastolische bloeddruk;
- de gemiddelde arteriële druk;
- een continue arteriële drukcurve.
De bloeddruk wordt weergegeven in mmHg. Omdat de meting continu plaatsvindt, worden snelle veranderingen vrijwel onmiddellijk zichtbaar. Dit is een belangrijk verschil met een niet-invasieve bloeddrukband, die slechts op afzonderlijke momenten een meting uitvoert. oor wordt een arterielijn gebruikt?
Een arterielijn heeft op de intensive care drie belangrijke toepassingen:
- continue invasieve bloeddrukmeting;
- afnemen van arterieel bloed;
- analyse van de arteriële drukgolf en aanvullende hemodynamische monitoring.
Continue invasieve bloeddrukmeting
De belangrijkste functie van een arterielijn is het continu meten van de arteriële bloeddruk. De druk wordt bij iedere hartslag geregistreerd, waardoor plotselinge veranderingen direct zichtbaar zijn.
Dit is vooral relevant bij patiënten met:
- circulatoire shock;
- ernstige hypotensie;
- snel wisselende bloeddruk;
- behandeling met vasopressoren;
- behandeling met vaatverwijdende medicatie;
- ernstige sepsis of septische shock;
- cardiogene shock;
- groot bloedverlies;
- grote chirurgische ingrepen;
- complexe mechanische beademing met hemodynamische gevolgen.
De ESICM-richtlijn over circulatoire shock uit 2025 adviseert arteriële bloeddrukmeting via een arteriekatheter wanneer shock onvoldoende reageert op de eerste behandeling en/of wanneer een vasopressorinfusie noodzakelijk is. eren van vasopressoren
Vasopressoren, zoals noradrenaline, worden gebruikt om de vaattonus en arteriële bloeddruk te verhogen. De dosering wordt vaak aangepast op basis van de gemiddelde arteriële druk en andere tekenen van orgaanperfusie.
Bij snel wisselende doseringen is een intermitterende bloeddrukmeting met een manchet minder geschikt. Een arterielijn laat vrijwel direct zien wat het effect is van:
- een aanpassing van de vasopressordosering;
- vochttoediening;
- verandering van houding;
- sedatie;
- aanpassing van PEEP;
- een hartritmestoornis;
- verandering van cardiac output.
De bloeddruk mag daarbij niet geïsoleerd worden beoordeeld. Ook bewustzijn, urineproductie, capillary refill, lactaat, huiddoorbloeding en andere perfusieparameters zijn belangrijk. De streefwaarde voor de gemiddelde arteriële druk moet worden afgestemd op de patiënt en de onderliggende aandoening. men van arteriële bloedgassen
Via een arterielijn kan arterieel bloed worden afgenomen voor een bloedgasanalyse. Daarbij kunnen onder andere worden bepaald:
- pH;
- PaO₂;
- PaCO₂;
- bicarbonaat;
- base excess;
- lactaat;
- arteriële zuurstofsaturatie;
- elektrolyten, afhankelijk van het gebruikte analyseapparaat.
Arteriële bloedgasanalyses zijn belangrijk bij patiënten met respiratoire insufficiëntie, mechanische beademing, ernstige metabole ontregeling of circulatoire shock.
Een arterielijn voorkomt dat de patiënt voor iedere bloedgasmeting opnieuw arterieel hoeft te worden geprikt. Dit kan vooral voordeel bieden wanneer gedurende korte tijd meerdere bloedgassen nodig zijn, bijvoorbeeld na aanpassingen van de mechanische beademing. rielijn is geen reden om routinematig of zonder duidelijke indicatie bloedgassen af te nemen. Overmatige bloedafname kan bijdragen aan diagnostisch bloedverlies en iatrogene anemie. Het aantal bloedafnames moet daarom worden beperkt tot metingen die naar verwachting gevolgen hebben voor de behandeling. dynamische monitoring
De arteriële drukcurve bevat meer informatie dan alleen de systolische en diastolische bloeddruk. De vorm van de curve kan onder andere informatie geven over:
- ritme en hartfrequentie;
- ejectie van bloed uit de linkerventrikel;
- vaattonus;
- veranderingen in slagvolume;
- interacties tussen hart en mechanische beademing;
- kwaliteit van het drukmeetsysteem.
Bij daarvoor geschikte patiënten kunnen variaties in de arteriële drukcurve, zoals pulse pressure variation of stroke volume variation, worden gebruikt als onderdeel van de beoordeling van vochtresponsiviteit. Deze dynamische parameters zijn echter alleen betrouwbaar onder specifieke omstandigheden, waaronder gecontroleerde mechanische beademing, voldoende teugvolume, regelmatig hartritme en afwezigheid van relevante spontane ademactiviteit.
Sommige geavanceerde monitoringssystemen gebruiken de arteriële drukcurve voor een berekening of schatting van slagvolume en cardiac output. De betrouwbaarheid hiervan is afhankelijk van het gebruikte systeem, de kwaliteit van de drukcurve en de klinische omstandigheden. elke patiënten wordt een arterielijn geplaatst?
Een arterielijn kan worden overwogen wanneer continue bloeddrukmeting of frequente arteriële bloedafname duidelijke klinische meerwaarde heeft.
Veelvoorkomende indicaties zijn:
- shock of dreigende shock;
- behandeling met vasopressoren;
- ernstige hemodynamische instabiliteit;
- grote bloeddrukschommelingen;
- noodzaak tot zeer nauwkeurige bloeddrukbewaking;
- frequente arteriële bloedgasanalyses;
- ernstige respiratoire insufficiëntie;
- invasieve mechanische beademing;
- grote operaties met risico op bloedverlies;
- geavanceerde hemodynamische monitoring;
- onvoldoende betrouwbare niet-invasieve bloeddrukmeting.
Niet iedere beademde patiënt heeft automatisch een arterielijn nodig. De indicatie hangt af van de ernst van de ziekte, circulatoire stabiliteit, frequentie van bloedafname en de vraag of de verkregen informatie daadwerkelijk gebruikt wordt om de behandeling aan te passen. De noodzaak moet dagelijks opnieuw worden beoordeeld. wordt een arterielijn geplaatst?
Een arterielijn kan in verschillende slagaders worden ingebracht.
Arteria radialis
De arteria radialis aan de pols is de meest gebruikte locatie. Deze slagader ligt relatief oppervlakkig, is meestal goed toegankelijk en kan eenvoudig worden gecontroleerd op bloedingen en lokale complicaties.
Een ander voordeel is dat de hand doorgaans ook via de arteria ulnaris van bloed wordt voorzien. Deze collaterale bloedvoorziening vermindert het risico op ernstige ischemie wanneer de arteria radialis tijdelijk minder goed doorgankelijk raakt. Het risico is echter niet volledig afwezig. ria femoralis
De arteria femoralis in de lies is groter en kan bij ernstige hypotensie of reanimatie soms gemakkelijker worden aangeprikt dan een perifere arterie.
Een femorale arterielijn kan worden gebruikt wanneer:
- perifere pulsaties nauwelijks voelbaar zijn;
- een radiale arterielijn niet mogelijk is;
- een grotere of langere katheter nodig is;
- specifieke geavanceerde hemodynamische monitoring wordt toegepast.
De insteekplaats ligt dicht bij de lies en is minder gemakkelijk zichtbaar dan de pols. Zorgvuldige fixatie, hygiëne en controle op bloedingen zijn daarom belangrijk. Voor femorale en axillaire arteriekatheters adviseert de CDC uitgebreidere steriele barrièremaatregelen tijdens het inbrengen. re locaties
Andere mogelijke locaties zijn:
- arteria dorsalis pedis op de voet;
- arteria tibialis posterior;
- arteria axillaris;
- arteria brachialis.
De keuze wordt bepaald door de klinische situatie, lokale expertise, vaatstatus, risico op complicaties en de verwachte duur van gebruik. De arteria brachialis wordt doorgaans terughoudender gebruikt, omdat er ter hoogte van de elleboog minder gunstige collaterale circulatie aanwezig kan zijn en omliggende zenuwstructuren kwetsbaar zijn. ordt een arterielijn ingebracht?
Het inbrengen van een arterielijn gebeurt onder aseptische omstandigheden door een daarvoor bevoegde en bekwame zorgprofessional.
In grote lijnen bestaat de procedure uit:
- beoordelen van de indicatie en de gekozen slagader;
- controleren van de lokale huid en perifere doorbloeding;
- desinfecteren en steriel afdekken van de insteekplaats;
- eventueel lokaal verdoven van de huid;
- aanprikken van de slagader;
- opvoeren van de katheter in het bloedvat;
- aansluiten op het gevulde drukmeetsysteem;
- fixeren en steriel afdekken van de katheter;
- nullen en positioneren van de transducer;
- controleren van de arteriële drukcurve en distale circulatie.
De CDC adviseert bij het inbrengen van een perifere arteriekatheter minimaal een muts, mond-neusmasker, steriele handschoenen en een steriele gefenestreerde doek. Handhygiëne en aseptische techniek zijn eveneens essentieel. geleide plaatsing
De slagader kan worden gelokaliseerd door palpatie of met echografie. Echogeleide plaatsing maakt het mogelijk om de arterie, de naald en omliggende structuren zichtbaar te maken.
Onderzoek laat zien dat echogeleide radiale katheterisatie de kans op succesvolle plaatsing bij de eerste poging kan vergroten en het aantal prikpogingen kan verminderen. Echografie is vooral nuttig bij hypotensie, obesitas, oedeem, afwijkende anatomie of een moeilijk voelbare polsslag. eet een arterielijn de bloeddruk?
De arteriekatheter is verbonden met een stijve, met vloeistof gevulde drukslang. Deze slang staat in verbinding met een transducer. Veranderingen in arteriële druk worden via de vloeistofkolom naar de transducer geleid.
De transducer zet de druk om in een elektrisch signaal dat door de monitor wordt verwerkt. De monitor toont vervolgens de bloeddrukwaarden en de drukcurve.
Voor een betrouwbare meting zijn onder andere noodzakelijk:
- een correct gevulde slang zonder luchtbellen;
- open verbinding tussen katheter en transducer;
- correcte hoogte van de transducer;
- correct nullen van het systeem;
- een passende dynamische respons;
- een goede arteriële drukcurve.
Een getal op de monitor is alleen betrouwbaar wanneer het meetsysteem technisch correct functioneert. etekenen systolische, diastolische en gemiddelde arteriële druk?
Systolische bloeddruk
De systolische bloeddruk is de hoogste druk die tijdens de systole ontstaat wanneer de linkerventrikel bloed in de aorta uitpompt.
Diastolische bloeddruk
De diastolische bloeddruk is de laagste arteriële druk tijdens de ontspanningsfase van het hart.
Gemiddelde arteriële druk
De gemiddelde arteriële druk wordt meestal afgekort als MAP, van mean arterial pressure. De MAP is de gemiddelde druk in het arteriële systeem gedurende één volledige hartcyclus.
De patiëntenmonitor berekent de MAP uit het oppervlak onder de arteriële drukcurve. De veelgebruikte formule:
MAP ≈ diastolische druk + ⅓ × polsdruk
is slechts een benadering en wordt minder nauwkeurig bij sterk afwijkende hartfrequenties of drukcurven.
De MAP is klinisch belangrijk omdat deze samenhangt met de druk die beschikbaar is om organen van bloed te voorzien. Een voldoende MAP garandeert echter niet automatisch een adequate weefselperfusie. iet een normale arteriële drukcurve eruit?
Een arteriële drukcurve bestaat uit verschillende herkenbare onderdelen:
- een snelle stijging tijdens de ejectiefase van de linkerventrikel;
- een systolische piek;
- een dalende lijn tijdens het einde van de systole;
- de dicrotische inkeping;
- een verdere daling tijdens de diastole.
De dicrotische inkeping ontstaat rond het moment waarop de aortaklep sluit.
De exacte vorm van de curve verschilt per meetlocatie. Naarmate de drukgolf verder van het hart wordt gemeten, kan de systolische piek hoger en smaller worden. De systolische druk in de arteria dorsalis pedis kan daardoor afwijken van de centraal gemeten aortadruk, terwijl de MAP doorgaans beter behouden blijft. n en nivelleren van de arterielijn
Voor een correcte drukmeting moet de transducer worden genuld en op de juiste hoogte worden geplaatst.
Nullen
Bij het nullen wordt de transducer blootgesteld aan de atmosferische druk. De monitor gebruikt deze druk vervolgens als nulreferentie.
Wanneer het systeem niet correct is genuld, kunnen alle gemeten bloeddrukwaarden systematisch te hoog of te laag zijn.
Nivelleren
Voor een standaardmeting van de systemische arteriële bloeddruk wordt de transducer meestal ter hoogte van het rechter atrium geplaatst. Bij een patiënt in rugligging komt dit ongeveer overeen met de mid-axillaire lijn ter hoogte van de vierde intercostale ruimte.
Een transducer die te laag hangt, geeft een kunstmatig hoge bloeddruk. Een transducer die te hoog hangt, geeft een kunstmatig lage bloeddruk.
Na een verandering van bedhoogte of lichaamshouding moet de hoogte van de transducer opnieuw worden gecontroleerd. Nullen en nivelleren zijn verschillende handelingen: nullen corrigeert voor atmosferische druk, terwijl nivelleren corrigeert voor het hydrostatische hoogteverschil. amping en underdamping van de arteriële drukcurve
Een arterieel drukmeetsysteem moet snel genoeg reageren om de werkelijke drukgolf correct weer te geven. Problemen met de dynamische respons kunnen leiden tot een vervormde curve.
Overdamping
Bij overdamping is de drukcurve afgevlakt. Mogelijke oorzaken zijn:
- luchtbellen in de slang;
- bloedstolsels;
- een geknikte drukslang;
- een gedeeltelijk afgesloten katheter;
- een te lange of te soepele slang;
- contact van de kathetertip met de vaatwand.
Bij een overgedempte curve wordt de systolische bloeddruk vaak te laag weergegeven en de diastolische bloeddruk te hoog. Het verschil tussen systolische en diastolische druk wordt daardoor te klein.
Underdamping
Bij underdamping ontstaan overmatige oscillaties. De systolische bloeddruk wordt dan vaak te hoog en de diastolische bloeddruk te laag weergegeven. De polsdruk lijkt hierdoor groter dan deze werkelijk is.
De MAP wordt door demping vaak minder sterk beïnvloed dan de systolische en diastolische druk, maar ook de MAP mag niet zonder beoordeling van de curve worden vertrouwd.
Met een snelspoel- of square-wave-test kan de dynamische respons van het meetsysteem worden beoordeeld. n arterielijn nauwkeuriger dan een bloeddrukband?
Een arterielijn meet de bloeddruk rechtstreeks in een slagader en kan daardoor snelle veranderingen zichtbaar maken die tussen twee manchetmetingen zouden worden gemist.
Dit betekent niet dat iedere arteriële meting automatisch correct is. De betrouwbaarheid kan worden beïnvloed door:
- verkeerde hoogte van de transducer;
- onjuist nullen;
- luchtbellen of stolsels in het systeem;
- over- of underdamping;
- beweging;
- arteriële spasmen;
- de locatie van de katheter;
- extreme perifere vasoconstrictie;
- een geknikte of tegen de vaatwand liggende katheter.
Bij onverwachte waarden moet daarom eerst worden beoordeeld of de drukcurve betrouwbaar is. Zo nodig kan de arteriële meting worden vergeleken met een niet-invasieve bloeddrukmeting en de klinische toestand van de patiënt. edicatie via een arterielijn worden toegediend?
Een arterielijn is niet bedoeld voor het toedienen van medicatie, infuusvloeistoffen, voeding of bloedproducten. Hiervoor moet veneuze toegang worden gebruikt.
Onbedoelde intra-arteriële toediening van geneesmiddelen kan ernstige vaatspasmen, trombose, zenuwschade, weefselischemie en necrose veroorzaken. Daarom moeten arteriële lijnen duidelijk worden gelabeld en fysiek herkenbaar zijn als arteriële toegang. lsysteem van een arterielijn bevat doorgaans een daarvoor bestemde spoelvloeistof volgens lokaal protocol. De lijn mag niet als een regulier intraveneus infuus worden gebruikt.
Wat is het verschil tussen een arterielijn en een infuus?
Een arterielijn ligt in een slagader. Een perifeer infuus ligt in een ader.
KenmerkArterielijnPerifeer infuusBloedvatSlagaderAderBelangrijkste functieDruk meten en arterieel bloed afnemenMedicatie en vloeistof toedienenBloeddrukcurveJaNeeArterieel bloedgasJaNeeMedicatie toedienenNeeJaDruk in het vatRelatief hoog en pulserendLager en niet-arterieel pulserendRisico bij losrakenSnel arterieel bloedverliesVeneus bloedverlies of lekkage
Het onderscheid is essentieel voor de patiëntveiligheid. s het verschil tussen een arterielijn en een centraal veneuze katheter?
Een centraal veneuze katheter ligt in een grote ader, meestal via de vena jugularis, vena subclavia of vena femoralis. Een arterielijn ligt in een slagader.
Een centraal veneuze katheter kan worden gebruikt voor:
- toedienen van vasopressoren;
- toedienen van geconcentreerde medicatie;
- langdurige intraveneuze therapie;
- afnemen van centraal veneus bloed;
- meten van centraal veneuze druk.
Een arterielijn wordt daarentegen vooral gebruikt voor:
- continue arteriële bloeddrukmeting;
- arteriële bloedgasafname;
- analyse van de arteriële drukcurve.
Een arterielijn en centraal veneuze katheter hebben dus verschillende functies en zijn niet onderling uitwisselbaar.
Mogelijke complicaties van een arterielijn
Een arterielijn is over het algemeen veilig wanneer deze zorgvuldig wordt ingebracht en onderhouden. Toch kunnen lokale, vasculaire, infectieuze en technische complicaties optreden. ding en hematoom
Omdat de katheter in een slagader ligt, kan bij losraken of verwijderen snel bloedverlies ontstaan. Een kleine lekkage kan ook leiden tot een hematoom rond de insteekplaats.
Het risico is verhoogd bij:
- stollingsstoornissen;
- trombocytopenie;
- antistollingsmedicatie;
- onvoldoende fixatie;
- onrust of trekken aan de lijn;
- accidentele disconnectie.
Trombose en arteriële afsluiting
De katheter kan de vaatwand irriteren en de bloedstroom beïnvloeden. Hierdoor kan trombusvorming ontstaan. Tijdelijke afsluiting van de arteria radialis komt vaker voor dan klinisch relevante ischemie van de hand. Ernstige ischemische complicaties zijn zeldzaam, maar kunnen grote gevolgen hebben. inderde perifere doorbloeding
Tekenen van verminderde distale doorbloeding zijn:
- bleekheid;
- koude vingers of tenen;
- vertraagde capillary refill;
- pijn;
- tintelingen;
- gevoelsverlies;
- afwezige of zwakke perifere pulsaties;
- verkleuring.
Bij verdenking op ischemie moet de arterielijn direct worden beoordeeld en kan verwijdering noodzakelijk zijn.
Infectie
Een arterielijn doorbreekt de huidbarrière en kan daardoor een lokale of systemische infectie veroorzaken. Het risico neemt toe bij langere gebruiksduur, contaminatie tijdens manipulatie, een vochtige of loslatende pleister en onvoldoende aseptische techniek.
De insteekplaats moet worden gecontroleerd op:
- roodheid;
- warmte;
- zwelling;
- pijn;
- pus;
- lekkage.
De CDC adviseert arteriekatheters alleen te vervangen wanneer daarvoor een klinische indicatie bestaat en de katheter te verwijderen zodra deze niet langer nodig is. Routinematig vervangen op een vast tijdstip wordt niet aanbevolen. wbeschadiging
Een slagader kan dicht bij een zenuw liggen. Direct trauma, een groot hematoom of ischemie kan leiden tot pijn, tintelingen, krachtsverlies of sensibiliteitsstoornissen.
Pseudoaneurysma en arterioveneuze fistel
Beschadiging van de arteriewand kan zelden leiden tot een pseudoaneurysma. Wanneer zowel een slagader als een nabijgelegen ader wordt beschadigd, kan een abnormale verbinding ontstaan: een arterioveneuze fistel. tembolie en bloedverlies door disconnectie
Lucht in het drukmeetsysteem kan de meting verstoren. In bijzondere omstandigheden kan lucht of ander materiaal ook in de arteriële circulatie terechtkomen. Een losse verbinding kan bovendien leiden tot aanzienlijk bloedverlies.
Alle verbindingen moeten daarom goed worden vastgezet en regelmatig worden gecontroleerd.
Verpleegkundige aandachtspunten bij een arterielijn
De zorg voor een arterielijn is gericht op betrouwbare meting, het voorkomen van infectie en het vroeg herkennen van vasculaire complicaties.
Belangrijke controles zijn:
- beoordelen van de insteekplaats;
- controleren van de pleister en fixatie;
- controleren op bloedverlies;
- controleren van kleur en temperatuur van de extremiteit;
- beoordelen van capillary refill en perifere circulatie;
- controleren van de arteriële drukcurve;
- beoordelen of de transducer correct is genuld en genivelleerd;
- controleren op luchtbellen, stolsels of knikken in het systeem;
- aseptisch afnemen van bloed;
- beperken van onnodige manipulatie en bloedafname;
- dagelijks beoordelen of de arterielijn nog noodzakelijk is.
Alarmen voor arteriële druk mogen niet zonder klinische reden worden uitgeschakeld. Een plotseling vlakke curve kan worden veroorzaakt door technische problemen, maar ook door ernstige hypotensie, circulatiestilstand, losraken van het systeem of afsluiting van de katheter.
Lokale protocollen bepalen hoe vaak pleisters, druksets en spoelvloeistoffen worden vervangen. er wordt een arterielijn verwijderd?
Een arterielijn moet worden verwijderd wanneer:
- continue invasieve bloeddrukmeting niet meer nodig is;
- frequente arteriële bloedafname niet meer nodig is;
- de katheter niet meer betrouwbaar functioneert;
- tekenen van infectie aanwezig zijn;
- de distale doorbloeding verslechtert;
- trombose of arteriële schade wordt vermoed;
- de lijn beschadigd of gecontamineerd is.
Na verwijdering wordt directe druk op de insteekplaats uitgeoefend totdat de bloeding is gestopt. De benodigde compressieduur hangt onder andere af van de insteekplaats, vaatgrootte, bloeddruk en stolling.
De insteekplaats en distale circulatie moeten na verwijdering opnieuw worden gecontroleerd. estelde vragen over de arterielijn
Wat is een arterielijn?
Een arterielijn is een dunne katheter die rechtstreeks in een slagader wordt geplaatst. De lijn wordt gebruikt voor continue bloeddrukmeting en voor het afnemen van arterieel bloed.
Waarom krijgt een IC-patiënt een arterielijn?
Een IC-patiënt kan een arterielijn krijgen vanwege circulatoire instabiliteit, behandeling met vasopressoren, behoefte aan continue bloeddrukbewaking of frequente arteriële bloedgasanalyses.
Doet het plaatsen van een arterielijn pijn?
Het aanprikken van de huid en slagader kan pijnlijk zijn. Wanneer de situatie dit toelaat, wordt meestal lokale verdoving gebruikt. Een goed functionerende arterielijn hoort na plaatsing geen aanhoudende hevige pijn te veroorzaken. Nieuwe pijn, tintelingen of verkleuring moeten worden beoordeeld.
Wat wordt via een arterielijn gemeten?
Via de arterielijn worden de systolische, diastolische en gemiddelde arteriële bloeddruk gemeten. Daarnaast wordt een continue arteriële drukcurve weergegeven.
Kan via een arterielijn bloed worden afgenomen?
Ja. Via een arterielijn kan arterieel bloed worden afgenomen voor bloedgasanalyses en andere laboratoriumonderzoeken.
Mag medicatie via een arterielijn worden gegeven?
Nee. Een arterielijn is niet bedoeld voor het toedienen van medicatie of infuusvloeistoffen. Accidentele intra-arteriële injectie kan ernstige weefselschade veroorzaken.
Wat is het verschil tussen een arterielijn en een gewone bloeddrukband?
Een bloeddrukband meet de bloeddruk op afzonderlijke momenten. Een arterielijn meet de arteriële bloeddruk continu en laat iedere afzonderlijke hartslag zien.
Waarom wordt de arterielijn genuld?
Door de transducer te nullen wordt atmosferische druk als referentie ingesteld. Zonder correct nullen kunnen de bloeddrukwaarden systematisch te hoog of te laag zijn.
Waarom moet de transducer ter hoogte van het hart hangen?
Hoogteverschil veroorzaakt hydrostatische druk. Een transducer onder het niveau van het hart geeft een te hoge bloeddruk aan; een transducer boven het hart een te lage bloeddruk.
Wat betekent een vlakke arteriële drukcurve?
Een vlakke curve kan ontstaan door een geknikte lijn, stolsel, luchtbel, afgesloten kraan, positie van de katheter of een technisch defect. Een plotseling vlakke curve kan echter ook wijzen op ernstige hypotensie of circulatiestilstand en moet direct worden beoordeeld.
Hoe lang mag een arterielijn blijven zitten?
Er bestaat geen vaste maximale gebruiksduur die voor iedere patiënt geldt. De lijn blijft alleen aanwezig zolang hiervoor een klinische indicatie bestaat. Routinematig vervangen zonder klinische reden wordt niet aanbevolen.
Conclusie
Een arterielijn is een invasieve katheter die rechtstreeks in een slagader wordt geplaatst. Op de intensive care wordt de arterielijn voornamelijk gebruikt voor continue bloeddrukmeting en het regelmatig afnemen van arterieel bloed.
De lijn is vooral waardevol bij shock, behandeling met vasopressoren, ernstige hemodynamische instabiliteit en frequente bloedgasanalyses. Daarnaast kan de arteriële drukcurve aanvullende informatie geven over de circulatie en kan deze worden gebruikt voor geavanceerde hemodynamische monitoring.
Een betrouwbare meting vereist een correct aangelegd en onderhouden drukmeetsysteem. De transducer moet goed worden genuld en genivelleerd en de kwaliteit van de arteriële drukcurve moet steeds worden beoordeeld.
Omdat een arterielijn complicaties kan veroorzaken, moet de insteekplaats regelmatig worden gecontroleerd op bloedingen, infectie en verminderde distale doorbloeding. De lijn moet worden verwijderd zodra continue invasieve drukmeting en frequente arteriële bloedafname niet meer noodzakelijk zijn.
Medische disclaimer: deze tekst is bedoeld voor educatie van zorgprofessionals en geïnteresseerde patiënten. De informatie vervangt geen lokaal protocol, bevoegdheids- en bekwaamheidsbeleid of patiëntspecifieke besluitvorming door een behandelteam.
Bronnen:
Monnet X, Messina A, Greco M, et al. ESICM guidelines on circulatory shock and hemodynamic monitoring 2025. Intensive Care Medicine. 2025. doi:10.1007/s00134-025-08137-z. l B, Kouz K, Meidert AS, Schulte-Uentrop L, Romagnoli S. How to measure blood pressure using an arterial catheter: a systematic 5-step approach. Critical Care. 2020;24:172. doi:10.1186/s13054-020-02859-w. y J, et al. Intra-arterial catheters: an evidence-based review of device design, function and application. 2025. rs for Disease Control and Prevention. Guidelines for the Prevention of Intravascular Catheter-Related Infections: Summary of Recommendations. Bijgewerkt in 2024. ams C, et al. Arterial Lines. StatPearls. StatPearls Publishing; bijgewerkt in 2025. Manual Professional Edition. Vascular Access en How to Insert a Radial Artery Catheter. L, Wang F, Li Y, et al. Ultrasound guidance for radial artery catheterization: an updated meta-analysis of randomized controlled trials. PLOS ONE. 2014;9(11). doi:10.1371/journal.pone.0111527. ts JA, et al. Risk factors for arterial catheter failure and complications during critical care hospitalisation: a secondary analysis of a multisite, randomised trial. Journal of Intensive Care. 2024;12:12. doi:10.1186/s40560-024-00719-1. r BV, Perel A, Pfeiffer UJ. Clinical review: complications and risk factors of peripheral arterial catheters used for haemodynamic monitoring in anaesthesia and intensive care medicine. Critical Care. 2002;6:199–204. GR, et al. Clinical applications of blood gas analysis: a comparative review of arterial and venous approaches. 2025. ie RA, Gouldson S, Habib N, et al. Management of arterial lines and blood sampling in intensive care: a threat to patient safety. Anaesthesia. 2013.